Het algemeen maatschappelijk werk verkeert in grote
problemen. Dat erkent ook minister Borst, die de behandeling van haar begroting
als verklaring opgaf dat de gemeenten ‘geen kans hebben gezien, of er in hun
prioriteitsstelling niet voor hebben gekozen, om er van jaar tot jaar wat meer
in te steken.’ Het was een opmerking die directeur Kerckhaert van de VNG danig
in het verkeerde keelgat is geschoten. In Ng-magazine wijst hij erop dat de
uitgaven van gemeenten aan het AMW tussen 1985 en 1995 met 1,4 miljard gulden
zijn gestegen, terwijl het Gemeentefonds in die periode niet is gegroeid. De
lokale overheden hebben de extra uitgaven dus uit de eigen middelen en
verhogingen van de gemeentelijke belastingen betaald. Kerkhaert vindt dan ook
dat nu de minister alsnog met extra geld over de brug moet komen.
Werkgeversorganisatie VOG voert al een tijdje campagne om minister Borst en
de Tweede Kamer ertoe te bewegen de capaciteit van het AMW met een kwart uit te
breiden. ‘Het is prachtig dat minister Borst het AMW inhoudelijk optuigt als
onderdeel van de eerste lijn in de ggz, maar dan moet ze dat ook verzilveren,’
zegt Jaap Buitink, senior beleidsmedewerker van de VOG. De werkgevers in het AMW
willen de decentralisatie van de werksoort naar de gemeenten niet terugdraaien,
maar vinden wel dat het rijk meer kan sturen. De ondernemersorganisatie is
voorstander van een landelijke norm van één maatschappelijk werker per 6000
inwoners. Momenteel is er één voor elke 8000 mensen beschikbaar.
De rijksoverheid moet volgens de VOG 65 miljoen beschikbaar stellen aan het
AMW om de door de minster zelf beoogde eerste lijns ggz-functie waar te kunnen
maken. In haar campagne heeft de VOG gemeenten, AMW-instellingen, huisartsen,
Riagg’s en andere instellingen opgeroepen om Den Haag met brieven te bestoken.
Welzijn Oost in Utrecht en de Regionale Instelling Maatschappelijke
Dienstverlening Alkmaar en omstreken (RIMA) horen tot de
brievenschrijvers.
Stiekem helpen
In Utrecht-Oost heeft het AMW onlangs een folder over haar activiteiten
laten maken. Maar om de wachtlijsten niet nog langer te maken, laat de
instelling de doos met wervend drukwerk voorlopig maar in de kast staatn.
Utrecht-Oost is een wijk van contrasten. Achter de grote en statige huizen die
uitkijken op het Wilhelminapark lopen smalle straatjes met veel kleinere
blokwoningen, waar veel welzijnswerkers al snel het gevoel zullen hebben door
een achterstandswijk te wandelen. In een van die straatjes doet een voormalig
schoolgebouw dienst als vestiging van Welzijn Oost. Een ouderwets pand met brede
gangen en hoge plafonds. Op de begane grond bevinden zich het opbouwwerk en de
Wijkwinkel, waar buurtbewoners bij vrijwilligers terecht kunnen met de meest
uiteenlopende vragen over hun wijk. Op de eerste etage zijn het kantoor, de
spreekkamers en de wachtkamer van het AMW. Sinds 1994 is het welzijnswerk in
Utrecht gedecentraliseerd. Elke wijk heeft een eigen brede welzijnsorganisatie
met een grote diversiteit aan werksoorten. Zo heeft Welzijn Oost ook nog
speeltuinen, kinderopvang, naschoolse opvang, buurthuizen, jongerenwerk en
ouderenwerk. Dries Hondenbrink is al ruim 20 jaar maatschappelijk werker in Oost
en momenteel tevens coördinator voor het AMW. Tijdens zijn loopbaan heeft hij
veel zien veranderen: ‘We krijgen steeds meer cliënten en tegelijkertijd steeds
minder formatie.’
Zijn collega Marianne Smit en directeur Lies Vellekoop van Welzijn Oost
zijn het nadrukkelijk met die constatering eens. ‘Bovendien komen mensen
tegenwoordig met veel complexere problemen bij ons,’ vult Smit aan. Vellekoop
vertelt vertelt dat Welzijn Oost de instelling ook meer klanten krijgt omdat
andere instellingen hun maatschappelijk werk wegbezuinigen. In deze wijk hebben
we een Blijf-huis, een opvanghuis voor jongeren en een opvang van het Leger des
Heils. Die zijn allemaal met hun maatschappelijk werk gestopt en sturen hun
cliënten nu door naar ons. De jeugdhulpverlening kwam zelfs met het idee dat wij
hun intake wel zouden kunnen doen.’
Vellekoop is sinds twee jaar directeur van Welzijn Oost. Daarvoor was ze
raadslid, statenlid en afdelingsbestuurslid voor de PvdA. ‘Als politica dacht ik
dat integrale samenwerking tot doelmatiger werken leidde en dat je dan
gemakkelijk een efficiency-korting kon opleggen. Nu zie ik dat integrale
samenwerking extra tijd kost, want je moet veel meer overleggen en afspraken
maken. En dat is het waard, want voor de bewoners is die samenwerking heel
goed.’
Die integrale samenwerking komt duidelijk tot uiting in drie projecten
waarin het AMW participeert, namelijk de Wijkwinkel, de schuldhulpverlening en
de activerende dienstverlening. In het laatstgenoemde project zoeken
maatschappelijk werkers langdurig werklozen uit de D-fase thuis op om hen in
maximaal tien gesprekken te motiveren tot vrijwilligersactiviteiten of een
Melkert-baan. Dan profiteert het AMW van de korte lijnen, want de meeste
gegadigden kunnen als vrijwilliger, banenpooler of Melketier in een speeltuin,
buurthuis of een andere voorziening van Welzijn Oost aan de slag.
Het nadeel van het projectmatig werken is de onzekerheid over de
financiering. Keer op keer moet de instelling ervoor vechten projectgelden in de
wacht te slepen. Bovendien drukken ze op de formatie van het AMW. Voor de 26.000
inwoners van Utrecht Oost is slechts 1,6 fte voor uitvoerend maatschappelijk
werk beschikbaar. Dat komt neer op de helft van het landelijk gemiddelde,
terwijl de behoefte aan maatschappelijk werk in steden groter is dan in kleinere
gemeenten. Na aftrek van de uren die de hulpverleners in de projecten steken,
blijft er in totaal slechts 23 uur maatschappelijk werk per week over.
De grotere toeloop en de beperkte formatie leiden tot wachtlijsten.
Nieuwe cliënten melden zich telefonisch, in de meeste gevallen na verwijzing
door de huisarts, de Riagg of andere afdelingen van Welzijn Oost. De
maatschappelijk werker bepaalt aan de telefoon of de beller al dan niet op de
wachtlijst komt. In situaties van incest, seksueel misbruik, mishandeling of
huisuitzettingen kunnen cliënten binnen een week terecht voor een uitgebreidere
intake en onmiddellijke hulpverlening. In alle andere gevallen is de wachttijd
tussen het eerste telefonische contact en het uitgebreidere persoonlijke
intake-gesprek momenteel twee tot drie maanden. Voor deze globale intake per
telefoon is bewust gekozen, want als de maatschappelijk werkers de cliënt
persoonlijk ontmoeten, is het veel moeilijker voor hen om ze in schrijnende
situaties op de wachtlijst te parkeren. ‘Maar dat blijft ingewikkeld,’ zegt
Smit. ‘Iemand die suïcidaal is kun je eigenlijk niet op een wachtlijst
plaatsen.’ In dergelijke situ
Makkelijke prooi
De RIMA in Alkmaar verschilt in een aantal opzichten van Welzijn Oost in
Utrecht. De RIMA is geen brede welzijnsinstelling op wijkniveau, maar heeft
vestigingen en ‘spreekuurpunten’ in tien Noord-Hollandse gemeenten en beperkt
zich tot AMW. Dat neemt niet weg dat ook deze instelling aan integrale
samenwerking doet. Twee van de drie vestigingen in Alkmaar zijn in
gezondheidscentra gehuisvest, zodat het contact met huisartsen, de
wijkverpleging en de fysiotherapie soepel verloopt. Bovendien werkt het AMW in
alle wijkteams in Alkmaar samen met onder meer het opbouwwerk, het
sociaal-cultureel werk en de woningcorporaties. Ook voor RIMA betekent deze vorm
van samenwerking extra werk, evenals het gegeven dat Alkmaar en Heerhugowaard
groeigemeenten zijn. ‘Maar de uren voor maatschappelijk werk groeien nooit mee,’
zegt directeur Monique Corten op het hoofdkantoor aan de sjieke Nassaulaan in
Alkmaar. De regio heeft daardoor nu slechts één maatschappelijk werker op 13.500
inwoners. Ook de RIMA krijgt steeds meer cliënten van andere instellingen die
stoppen met hun eigen maatschappelijk werk.
De RIMA werkt al jaren met een wachtlijst, maar die kon altijd wel weer
inlopen worden. Sinds het najaar van 1997 is het probleem echter structureel. Op
dit moment staan er 35 mensen op, die vier tot zes maanden moeten wachten. In
Alkmaar wordt gewerkt met een centrale intake-commissie, waarvan maatschappelijk
werkster Tineke Rinzema één van de twee vaste leden is. Het intake-gesprek vindt
gewoonlijk binnen veertien dagen na de telefonische aanmelding plaats. Zo snel
mogelijk, om cliënten die naar andere instellingen moeten worden doorverwezen
niet nog langer te laten wachten. ‘Per cliënt bekijken we of de situatie urgent
is,’ legt Rinzema uit. ‘Als er sprake is van actueel geweld, komt de cliënt niet
op de wachtlijst.’ Suïcidale cliënten worden meteen doorverwezen, waarmee goede
afspraken zijn gemaakt. In tegenstelling tot Welzijn Oost maakt RIMA ondanks de
wachtlijsten wel reclame voor haar aanbod. ‘We hebben ons een tijdje minder
geprofileerd, maar dan maak je jezelf een gemakkelijke prooi voor nieuwe
bezuinigingen,’ zegt Corten. ‘Daarom hebben we besloten dat we onszelf goed
laten zien.’
Commerciële avonturen
Ondanks de verschillen tussen Welzijn Oost en RIMA is hun werkwijze
representatief voor veel AMW-instellingen in het land. Overal doet zich het
verschijnsel voor dat gespecialiseerde instellingen als Riaggs, SPD’s en
instellingen voor maatschappelijke opvang en jeugdhulpverlening hun
maatschappelijk werk afstoten naar het AMW. De AMW-organisaties merken
bijvoorbeeld dat de Raad voor de Kinderbescherming soms geen begeleiding biedt
bij problematische omgangsregelingen. Bovendien besluit de Raad minder vaak tot
een OTS, waardoor ook deze cliënten eerder bij het AMW aankloppen. Tenslotte
bezuinigen Sociale Diensten steeds meer op hun maatschappelijk werk.
Het starten met commerciële activiteiten, om op die manier geld binnen te
halen, biedt de AMW-instellingen over het algemeen weinig soelaas. Welzijn Oost
in Utrecht begint er niet aan omdat ze zeer hecht aan het ‘algemene’ karakter
van de werksoort. Andere instellingen begeven zich wel op het pad van de
commercie en storten zich dan meestal op het bedrijfsmaatschappelijk werk. Maar
RIMA heeft ondervonden dat er dan flinke investeringen in de acquisitie nodig
zijn om die inspanningen echt lonend te maken. De oplossing die de VOG voorstaat
is dat VWS extra geld naar de gemeenten sluist, liefst in de vorm van een
doeluitkering. Een andere optie is dat de ziektekostenverzekeraars over de brug
komen. Corten van RIMA pleitte er in haar brief aan Borst voor dat de
psychosociale hulpverlening van het AMW, die op verwijzing van de huisarts wordt
geboden, gefinancierd wordt via de zorgverzekeraars; ‘We zijn van mening dat de
positionering van het AMW binnen de eerstelijns gezondheidszorg hiermee het
beste tot zijn recht komt. De zorgverzekeraars hebben ook het meeste belang bij
de preventieve werking van de hulp in de eerste lijn naar de tweede lijn.’ De
gemeenten zouden dan de meer welzijnsgerelateerde taken voor hun rekening
blijven nemen. Een voor de hand liggende taakverdeling, vindt Corten, ‘want
gemeenten hebben meer affiniteit met welzijn dan met de ggz, die immers
grotendeels via de ziektenkostenverzekeraars wordt gefinancierd’.
Vergelijkbare ideeën circuleren al jaren in de sector. Niet iedereen
gelooft in die optie. ‘Het wezenlijke van het AMW is juist de integrale aanpak,’
zegt Henk Teunissen, directeur van Maatschappelijk Werk Oosterschelderegio.
‘Psychosociale en welzijnsgerelateerde taken kun je niet van elkaar scheiden,
laat staan dat je er aparte financieringsstromen op los kunt laten. VWS moet
onderkennen dat de problemen in de samenleving ernstiger worden en daar geld in
steken.’
Buitink van de VOG wil eveneens één integraal AMW-aanbod behouden, maar
vindt het geen gek idee als de zorgverzekeraars meebetalen. ‘Zorgverzekeraars
Nederland wil een experiment starten om het integrale aanbod van
gezondheidscentra, inclusief AMW, te financieren,’ zegt hij. ‘De verzekeraars
zien in dat het maatschappelijk werk kan voorkomen dat mensen later zijn
aangewezen op de veel duurdere ggz in de tweede lijn.’
Bij de neus genomen
In haar Beleidsvisie GGZ benadrukt Borst het belang van versterking van het
AMW, kwalitatief en kwantitatief, maar nog steeds zet ze er geen extra gelden
tegenover. ‘Buitengewoon teleurstellend,’ vindt PvdA-Kamerlid Bert Middel die
houding. ‘Tijdens de begrotingsbehandeling beloofde ze dat ze in deze nota met
een oplossing zou komen, maar daarvan vind ik nu bitter weinig terug. Ik voel me
bij de neus genomen. Achteraf gezien had de Kamer beter een keiharde motie
kunnen aannemen. We zullen hierover een debat aanzwengelen. Er moet snel een
structurele oplossing komen, want het AMW is het scharnier tussen zorg en
welzijn. Het lijkt me goed als we een deel van de kosten uit de AWBZ
financieren.’ Maar Borst verklaarde toch tijdens het begrotingsdebat al dat ze
daar tegen is? ‘Het gaat er niet om wat Borst wil, maar wat de Kamer wil!’
antwoordt Middel fel.
Henk Eggermont, wethouder voor de PvdA in Alkmaar en lid van de Commissie
Zorg en Welzijn van de VNG, is eveneens teleurgesteld in de Beleidsvisie.
‘Vanuit de VNG inventariseren we nu de feitelijke problematiek en de
wachtlijsten. In februari komen we met de Commissie Zorg en Welzijn bijeen en
dan beraden we ons op acties richting de minister over extra geld.’Terwijl
het rijk gemeenten maant tot een integrale aanpak, stoten in de praktijk
instellingen die rechtstreeks onder verschillende ministeries ressorteren, hun
maatschappelijk werk af. ‘Er is geen landelijke coördinatie,’ beaamt Eggermont.
‘Het is frustrerend dat de ministeries zelf niet integraal samenwerken. Maar dat
ontslaat ons als gemeente niet van onze verantwoordelijkheid. Daarom hebben wij
vooruitlopend op de politieke discussies besloten nog eens 100.000 gulden uit te
trekken voor RIMA, zodat men een extra full-time maatschappelijk werker kan
aanstellen.’ Eggermont erkent dat de instelling eigenlijk het dubbele nodig
heeft, ‘maar als je weet dat wij per jaar een half miljoen aan nieuw beleid uit
kunnen geven, is een ton een flink bedrag.’ Vellekoop verwacht in Utrecht op
korte termijn geen verbetering. ‘Elk jaar krijgen we nieuwe kortingen doordat de
gemeente prijsstijgingen niet doorberekent. Volgend jaar krijgen sommige
achterstandswijken extra geld voor AMW, maar wij niet. De yuppen en hoogleraren
aan het Wilhelminapark trekken de achterstandsscores van de wijk flink
omlaag.’/Kees Neefjes